zondag 3 juli 2016


Stabiliteit (3)
In de wachtruimte van het militair hospitaal voel ik mij geobserveerd. Het duurt lang eer ik word binnengeroepen in een spreekkamer. Achter een immens bureau zit een militair in doktersjas. ‘Zou jij je baret niet eens afzetten?’ vraagt de man bars. ‘Sorry meneer,’ zeg ik en leg het ding op het bureau. Maar dat blijkt niet de bedoeling. Hij wil weten wat mij precies mankeert. Ik zeg dat ik geen idee heb. Dat ik dolgraag wil, maar dat het niet lukt. En ook dat ik de jongens om mij heen leuk vind, maar dat het er zo veel zijn. De man maakt aantekeningen en vraagt zonder van zijn papier op te kijken: ‘Gesteld dat ik jou heel alleen zou opsluiten in een kamer, hoelang zou je het daar dan uithouden?’ Na een lange stilte antwoord ik: ‘Als ik mijn Kunsttijdschriften en een foto van mijn ouders mag meenemen, zou ik het er wel maanden kunnen volhouden.’ Vanaf dat moment gaat het allemaal heel snel. ‘Je mag hier even tekenen,’ zegt hij en hij schuift mij een brief toe. ‘Je bent per heden ontslagen van je dienstplicht.’ Ik kijk hem teleurgesteld aan. ‘Mag ik niet blijven dan? Ik kan het toch nog wel een tijdje proberen?’ De man zucht diep. ‘Je kunt gaan. Je bent vrij.’ In het busje terug naar Ede lees ik in de brief dat ik niet geschikt ben voor de krijgsmacht. Dit vanwege onvoldoende geestelijke stabiliteit: S5.
De volgende ochtend trek ik met zichtbare tegenzin mijn eigen kleren aan. Met het plastic tasje met daarin de Kunstschriften als enige bagage loop ik richting station. Ik zou waanzinnig van euforie kunnen dansen en zingen, maar weet mij te beheersen. Het zal mij niet gebeuren - na al mijn ontberingen - op de valreep te worden ontmaskerd. Tijdens de treinrit naar Amsterdam, ja zelfs in de tram vanaf het Centraal Station, gedraag ik mij als een terneergeslagene.
Mijn eerste gang op eigen bodem is naar de banketbakkerij van een van mijn broers. ‘Ik wil dat je een speciale taart voor mij maakt. Het ontwerp heb ik al in mijn hoofd.’ We werken er samen aan. Opgetogen over het resultaat loop ik ermee naar huis. Daar zijn ze stomverbaasd mij zo snel weer terug te zien. Ik zeg dat ik met vervroegd verlof ben en volgens oud militair gebruik een taart heb meegebracht. Hierop haal ik het deksel van de doos. Mijn ouders, broers en zussen zien een in camouflagekleuren uitgevoerde slagroomtaart. Temidden van groene en bruine rozetten liggen de twee losse helften van een marsepeinen soldaatje. De tekst op het chocoladeschildje eronder laat niets te raden: IK zal handhaven! Even is mijn vader vertwijfeld, maar al snel begint zijn neus te krullen van trots. De met mijn zwager afgesloten weddenschap dat ik binnen een week weer thuis zou zijn, levert mij een fles goede cognac op. Voor zover mij bekend heeft mijn psychische en/of persoonlijkheidsstoornis niet tot al te grote problemen geleid in mijn verdere leven.

(c) Frans Lasès

1 opmerking: