zondag 9 december 2018


Zilvergrijze Zwaan

Maria de Fátima is een Portugese in Amsterdam wonende fadozangeres. Destijds winnaar van de prestigieuze Grande Noite do Fado Lisboa. Inmiddels heeft zij een groot aantal albums afgeleverd. Ik leer haar kennen wanneer zij in een van mijn televisieprogramma’s het lied O Velho Marinheiro zingt. We raken snel bevriend. Regelmatig bezoek ik haar fadoconcerten. Zij treedt op tijdens ons huwelijksfeest. Als de VPRO met het verzoek komt een programmatische bijdrage te leveren aan de Millenniumnacht hoef ik niet lang na te denken. Speciaal voor die gelegenheid schrijf ik de liedtekst Zilvergrijze Zwaan. Nederlandse woorden van weemoed en verlangen. Saudade noemen ze dat in het Portugees. Hoe fantastisch zou het zijn dat bijzondere stemgeluid van Maria de Fátima in het Nederlands te horen klinken. Ik leg het plan aan haar voor. Het lijkt haar een spannend avontuur, een beetje griezelig ook wel. Nooit eerder heeft zij in het Nederlands gezongen. Ik bied haar de mogelijkheid uitspraaklessen te volgen. Dit stelt haar gerust. Wouter van Bemmel, met wie ik zeer regelmatig samenwerk, benader ik voor de muziek. Dat levert een prachtige compositie op die direct de gevoelige snaar doet trillen. Als de zangeres er na wat sessies bij haar dictiecoach klaar voor is, gaan we de geluidstudio in. Het resultaat is een hartverwarmend gezongen Nederlandstalig lied, met een Portugees accent als cadeauverpakking. Voor de locatie van de videoclip heb ik het balkon van een buitenhuis langs de Vecht in gedachten. De VPRO stelt een productiebudgetje beschikbaar waarmee o.a. de cameraman betaald kan worden - ikzelf mag het voor de eer doen. Joost van Herwijnen, die ik voor de klus uitnodig, laat weten dan ook geen honorarium te verlangen. Hij stelt voor in plaats daarvan een filmkraan te huren waarmee we langs de gevel omhoog kunnen bewegen. En, zegt hij, als we dan niet op video maar op kostbaar filmmateriaal draaien, maken we er echt iets moois van. En zo staat op een koude avond in december een gepassioneerde Maria de Fátima vanaf een balkon de  Zilvergrijze Zwaan uit te zwaaien. In de nacht van 1999 op 2000 gaat hij de lucht in. Voor het eerst bij de VPRO, later dat jaar nog diverse malen bij onder meer AT5. De reacties zijn unaniem zeer positief. Dit inspireert mij - met een compleet album in het achterhoofd - tot het schrijven van meer liedteksten voor deze zangeres. Daarmee stap ik naar enkele platenmaatschappijen, helaas zonder het gewenste resultaat. A&R (artist and repertoire) managers durven hun geld er niet op te zetten. Commercieel volstrekt niet interessant, krijg ik telkens te horen. Hun advies is tweeledig: zoek een Nederlandse zangeres bij de teksten, of laat ze naar het Portugees vertalen en door een Portugese zangeres uitvoeren. Beide opties zijn voor mij onbespreekbaar. Een droom aan diggelen. Waarmee weer eens pijnlijk duidelijk wordt dat ik niet in de wieg gelegd ben voor de commercie. Leer ik het dan nooit?

Zie: www.youtube.com/watch?v=3C_udtjJHjA

(c) Frans Lasès

zondag 4 november 2018


Er was eens
  
Hij is dichter/performer en een bekendheid in het alternatieve politieke actiecircuit van de vroege jaren ‘80. Zijn woning bevindt zich niet ver bij mij vandaan. We hebben vaak mooie gesprekken waarbij we witte wijn drinken. Op een lenteavond komt zijn vrouw vertellen dat wat lang werd gevreesd waarheid is geworden: hij is ernstig ziek, zeer ernstig. Wanneer ik hem in het ziekenhuis bezoek, wil hij dat ik hem in een rolstoel naar de binnenplaats rijd. Daar rookt hij in een kwartiertje tijd een stuk of wat sigaretten. Wellicht tegen beter weten in besluiten de artsen tot een grote operatie. Zijn geliefde regelt een speciale eredienst in zijn favoriete kerk waarbij ze vrienden vraagt aanwezig te zijn op het moment van de operatie. De gebeden en het wijwater bewijzen in zoverre hun nut dat de patiënt de ingreep overleeft, maar het gewenste herstel blijft uit. Bij een volgend bezoek blijkt hij niet meer van zijn kamer te mogen, dus rookt hij in het ziekenhuisbed. Zijn jonge zoon moet wapperend met een opgevouwen krant voorkomen dat de rookmelder afgaat. Ik heb alvast een afscheidsbrief voor de betreurde geschreven, zittend naast het bed lees ik hem de tekst voor - beter nu hier dan straks vanachter een katheder. Vooruitlopend op het onvermijdelijke vergezel ik zijn aanstaande weduwe naar de begraafplaats voor het uitkiezen van een plek. Ondertussen gooit het artsenteam de handdoek in de ring, de reddeloze zieke mag naar huis. Daar ontvangt hij - vanaf zijn midden in de woonkamer opgestelde bed - tientallen genodigden uit de krakers- en kunstenaarsscene, veelal in gezelschap van hun subculturele entourage. Het wordt een gedenkwaardige bijeenkomst. Beslist niet te vroeg georganiseerd, korte tijd later overlijdt hij. Als de begrafenisondernemer zijn werk heeft gedaan, en de overledene in de woonkamer opgebaard ligt, vraagt de weduwe of ik de ruimte als rouwkamer wil helpen inrichten. Ik verplaats meubelen, schik bloemen en hang een slinger van kaarten en brieven aan de wand. Terwijl ik ermee bezig ben heb ik het gevoel dat de opgebaarde mijn verrichtingen kritisch volgt. Van buren leen ik her en der ventilatoren, de zomerzon schijnt onbarmhartig naar binnen. Op de dag van de lowbudgetbegrafenis komt het verzoek om, samen met de begrafenisondernemer en een goede vriend van de familie, het in doeken gewikkelde lichaam in de kist te leggen. Ik beschouw het als eervol. Bij het naar buiten dragen ervaar ik pas hoe zwaar de vurenhouten doodskist van zichzelf is. En dan blijkt-ie horizontaal niet in de lift te passen, dus zit er niets anders op dan de trap te nemen. We schuiven de kist het gereedstaande rouwbusje in en rijden naar de begraafplaats. Daar moet ik het dragen halverwege overlaten aan een te hulp schietende vrijwilliger. Dit is geen werk voor watjes. Met een paar man laten we de kist in de grafkuil zakken. De weduwe neemt een royale schep zand van de berg ernaast. Met een doffe plop valt het op de kist. Dan is de beurt aan de genodigden. De schep gaat van hand tot hand. Een  symbolisch gebaar, en natuurlijk wel zo voordelig om de klus zelf te klaren. We werken stevig en langdurig door. Pas wanneer er van de hele berg niets meer over is en de kuil is gedicht, verlaten we de begraafplaats. Op het terras van het buurtcafé wordt troost getapt.
(c) Frans Lasès

zondag 21 oktober 2018


Weg ermee
                                                                                                                                              
Het is over de helft van oktober en het weer gaat helemaal uit zijn dak. Wie tijdens de zomermaanden niet in de gelegenheid was in de zon te zitten doet dit als het enigszins kan vandaag op de elastieken valreep. Volop gelegenheid dacht ik zo. De planten op ons terras die wij aan het begin van de maand snoeiden, beginnen weer uit te lopen. Het zal hierdoor komen dat ik zojuist aan een grote voorjaarsopruiming in mijn studio-aan-huis ben begonnen. Kan geen kwaad, want die ruimte wordt wel eens verward met een uit zijn voegen barstende kringloopwinkel. Niet ondenkbaar dat in geval van nood een gealarmeerde dokter of ambulancemedewerker zich er geen weg doorheen kan banen - zou vervelend zijn. Aan de slag dus! Maar iedereen die wel eens echt opruimt weet dat je daar flink wat tijd voor moet uittrekken. Je ordent, kiest, maakt stapels. Boeken die je nooit meer leest, weg ermee! Die ooit van pas kunnen komen, nog maar even bewaren. En die waar prettige herinneringen aan kleven, goed opbergen. Hetzelfde geldt voor videobanden, grammofoonplaten en cassettebandjes. Stuit je op fotoboeken dan wordt het natuurlijk een ander verhaal. Die vreten tijd. Voor je het weet zit je verteerd door nostalgie een halfuur te bladeren. Als ik een schoenendoos open die al jaren in de weg staat, vind ik een flink pak oude felicitatiekaarten en nieuwjaarswensen. Heel even die twijfel. Maar dan: kom op zeg! Gaan we sentimenteel worden? Hup! in de vuilniszak. Mijn dochter komt binnen. Ze wil weten waar ik mee bezig ben. ‘Je vader heeft het voorjaar in zijn hoofd,’ zeg ik. Ze kijkt in de zak en begint er zoekend in te graaien. ‘Doe je die kaarten allemaal weg?’ vraagt ze. ‘Ja tuurlijk, wat moet ik ermee. En laat ze d’r nou maar lekker in zitten, ik ben tenslotte niet voor niks aan het opruimen.’ Maar daar trekt zij zich weinig van aan. Een voor een vist ze de kaarten uit de vuilniszak en leest ze hardop voor. ‘Proost! Op je gezondheid. Deze is grappig. Van wie is die? Van de achternichtjes. Of deze: Hartelijk gefeliciteerd. Hoera. Van Oma. Hier: Voorspoedig 2008. Die is van W. Heb je daar nog contact mee?’ Ik raak lichtelijk geïrriteerd. ‘Terra, alsjeblieft, hou daarmee op. Wat moet ik na al die jaren nog met die kaarten?’ Dan pakt ze er een gele envelop uit. Voor je zestigste. Van harte! staat erop. Hij bevat een dubbelgevouwen kaart met een afbeelding van Superman. ‘Van wie heb ik die?’ wil ik toch wel weten. Als ze de kaart openslaat, denk ik dat mijn ogen mij zwaar in de maling nemen. Van verbazing rollen ze bijna uit hun kassen, zoals dat heet. ‘Huh?!’ Ik kijk nog eens goed. Maar er zit toch echt een ongevouwen briefje van vijftig euro in. Ik ben in vrolijke shock. Dan lees ik: Voor bij je nieuwe fiets. Veel plezier ermee! Liefs van G. Euforie en schaamte wisselen elkaar af. Hoe heeft dat er al die jaren tussen kunnen zitten? ‘Vraag niet hoe het kan, profiteer ervan,’ zegt mijn dochter. En meteen erna: ‘Hoeveel krijg ik als vindersloon?’ Veel te snel zeg ik: ‘We delen de buit.’ Sorry G.
(c) Frans Lasès