zondag 17 maart 2019


Spieren en zenuwen

In gezelschap van mijn meisjes loop ik in Bangkok door Chinatown. We komen langs een eettentje met als specialiteit vogelnestjessoep en krokodil van de gril. Voor de ernaast gelegen massagesalon heeft een vrouw haar broekspijpen opgestroopt en zit met haar voeten in een aquarium met hongerige visjes. De meisjes lijkt het maar niks. Maar op een buitenbord staat dat je hier ook voordelig je nagels kunt laten doen. Dat vinden ze wel wat. ‘En ik dan?’ vraag ik. ‘Jij krijgt ondertussen een voetmassage.’ Huh? En dat terwijl ze heel goed weten dat ik aan mijn lijf geen polonaise duld. Maar voor één keer zwicht ik – alles voor het avontuur - en stap achter hen aan naar binnen. Voor ik het besef, zit ik in een achterkamertje met mijn blote poten in een afwasteiltje. Visjes ontbreken gelukkig. Een masseur ontfermt zich over mij. Op tedere wijze wast en scrubt hij mijn voeten en droogt ze vervolgens liefdevol af. Ik krijg pantoffels aan en mag hem volgen naar de salon. Daar is een dame bezig de voeten van mijn dochter te wassen. Mijn vrouw wacht geduldig af. Ik neem plaats in een soort vliegtuigstoel, waarna de masseur mijn rechter scheenbeen begint te behandelen. Daar neemt hij royaal de tijd voor. Er klinkt zachte babypianomuziek. Het riedeltje herhaalt zich continu. Eerst is dat behoorlijk irritant, maar na verloop van tijd word ik er zelfs rustig van en voel ik me helemaal zen. Na mijn kuit, mijn tenen – die een voor een langdurig worden gekneed – is mijn voetzool aan de beurt. Dit gepluk en gewrijf mag ik op z’n minst een vreemde ervaring noemen. Als de voordeur open zwaait, komt een vrouw met een bromfietshelm haastig de salon binnen. Onmiddellijk stort zij zich op de voeten van mijn vrouw. Duidelijk een geval van een ad hoc opgetrommelde kracht. Ineens begint de man mijn knieholte te masseren. Maar dat is toch geen voet. Al wrijvend gaan zijn handen bijna ongemerkt steeds hoger. Wat gebeurt er met me? En dan duwt hij ook nog met zijn volle gewicht op mijn bovenbeen. Ik doe maar net of ik het normaal vind. Ter afronding krijgt mijn voet nog een extra behandeling. Met een soort benen staafje drukt hij venijnig hard tussen mijn grote teen en die ernaast. Uiterst pijnlijk, maar hij werkt gewoon het hele rijtje tenen af. Dan wrijft hij krachtig met het staafje over mijn voetzool. Hij weet angstig goed hoe de meest gevoelige zenuwbanen lopen. Dit voelt in het geheel niet prettig. Als ik een van pijn vertrokken gezicht trek, kijkt de masseur mij vriendelijk lachend aan, de sadist. Ik glimlach maar terug en voel alweer de volgende pijnscheut. Dit is zo’n moment waarop je zou wensen maar één been te hebben. Bij wijze van troost krijg ik een kopje mierzoete honingthee aangeboden. En dan moet ook mijn andere been er toch echt aan geloven. Hetzelfde ritueel voltrekt zich, nu met links als slachtoffer. Ik zie dat de meisjes al met rode teennagels zitten en dat nu hun vingernagels gelakt worden. Mijn masseur gebaart dat ik achterstevoren op het voetenbankje moet plaatsnemen. Dan begint hij nog even mijn rug, schouders en nek stevig onderhanden te nemen. Waar in godsnaam houden mijn voeten op? Straks vergrijpt hij zich nog aan mijn oorlelletjes. Maar zo ver komt het niet. De marteling is klaar. En als even later alle veertig nagels van de meisjes in de lak staan, verlaten we de salon. Direct erna komt ook de invalkracht naar buiten, zet haar helm op en rijdt weg op een scooter. Volgende keer laat ik toch liever mijn nagels doen.
(c) Frans Lasès

zondag 23 december 2018


Eindejaarsgeschenk

Ergens in december val ik steevast in de prijzen. Ik heb dan mijn jaarlijkse verkoudheid te pakken. Normaal gesproken ben ik na een, hooguit twee weken weer het mannetje. Deze keer is het hardnekkiger. Het gehoest, gesnotter en de pijnlijke keel houden al ruim een maand stand. Om gek van te worden, en mijn huisgenoten mét mij. Stoer als ik ben sla ik hun herhaald advies de huisarts te bezoeken in de wind. Welnee joh, gaat vanzelf weer over. Maar dat blijkt toch tegen te vallen. Sterker, sinds kort lijkt het juist nog erger te worden. Ik houd zelfs al een paar dagen het bed, zoals dat heet. Wanneer dan ook nog eens mijn ademhaling gepiep en geknars begint te vertonen, pak ik toch maar de telefoon. Een mij vreemde doktersassistente laat me weten dat mijn eigen huisarts ‘min of meer’ met pensioen is en dat zijn praktijk is overgenomen. Lekker is dat. Maar… vanmiddag kan ik langskomen. Mijn vrouw is zo lief mij met de auto erheen te brengen. Ze neemt plaats in de wachtkamer die sinds mijn eerste bezoek van ruim veertig jaar geleden nooit is gerestyled. De nieuwe dokter oogt nogal - hoe zal ik het zeggen - atypisch, maar blijkt een geschikte vent. We maken een kennismakingspraatje. Hij zegt dat zijn voorganger er moeite mee heeft afscheid te nemen van zijn patiënten. Dat er daardoor de laatste tijd nogal wat verwarring heerst. Ik toon begrip, ik heb artsen in de familie. Als ik hem over mijn lichamelijke klachten vertel, inspecteert hij mijn longen, hartslag en keel. Bij wijze van diagnose zegt hij: ‘Ik zal u iets voorschrijven. En dan zie ik u volgende week graag terug.’ Ik vraag of dat voor of na de kerst is. ‘Ervóór. U moet prettige kerstdagen hebben.’ Terwijl hij voor het opstellen van het recept naar het kantoortje van de assistente loopt, ga ik naar de aangrenzende wachtkamer en vervoeg me aan het loket. Ik zie dat hij de medicijnen letter voor letter dicteert aan zijn assistente, die ze in de computer invoert. Ondertussen vertel ik mijn vrouw over het onderhoud. Zij is benieuwd naar mijn zojuist verworven huisarts en komt naast mij staan. Als aan de andere kant van het loket de dokter met de uitdraai aankomt, stel ik mijn vrouw aan hem voor. Vanaf dat moment richt hij zich uitsluitend tot haar. ‘Uw man heeft acute bronchitis, maar zijn longen zijn mooi schoon.’ En dan begint hij alle onderdelen van het recept in een tête-à-tête met haar door te nemen. ‘Hij moet vandaag nog beginnen met een antibioticakuur, moet-ie echt afmaken hoor. Dit zijn neusdruppels. Daarvan mag-ie driemaal daags een druppeltje in beide neusgaten doen. Liefst liggend. Verder hoest hij nogal, daar is dit voor. En dan hier nog iets tegen zijn allergie. Ziet u erop toe dat hij veel drinkt.’ Met belangstelling luister ik mee en vind de situatie goed door hem ingeschat. Toegegeven, ik ben een jaar of wat eerder geboren dan mijn vrouw. In de ogen van zo’n nieuwe huisarts ben je in mijn geval al snel een mantelzorgbehoevende hersendode kamerplant. Dat ik hem niet heb gevraagd de Pil van Drion er maar gelijk bij te schrijven, begrijp ik niet van mijzelf. Ik gun ook mijn huisgenoten prettige kerstdagen. 
(c) Frans Lasès

zondag 9 december 2018


Zilvergrijze Zwaan

Maria de Fátima is een Portugese in Amsterdam wonende fadozangeres. Destijds winnaar van de prestigieuze Grande Noite do Fado Lisboa. Inmiddels heeft zij een groot aantal albums afgeleverd. Ik leer haar kennen wanneer zij in een van mijn televisieprogramma’s het lied O Velho Marinheiro zingt. We raken snel bevriend. Regelmatig bezoek ik haar fadoconcerten. Zij treedt op tijdens ons huwelijksfeest. Als de VPRO met het verzoek komt een programmatische bijdrage te leveren aan de Millenniumnacht hoef ik niet lang na te denken. Speciaal voor die gelegenheid schrijf ik de liedtekst Zilvergrijze Zwaan. Nederlandse woorden van weemoed en verlangen. Saudade noemen ze dat in het Portugees. Hoe fantastisch zou het zijn dat bijzondere stemgeluid van Maria de Fátima in het Nederlands te horen klinken. Ik leg het plan aan haar voor. Het lijkt haar een spannend avontuur, een beetje griezelig ook wel. Nooit eerder heeft zij in het Nederlands gezongen. Ik bied haar de mogelijkheid uitspraaklessen te volgen. Dit stelt haar gerust. Wouter van Bemmel, met wie ik zeer regelmatig samenwerk, benader ik voor de muziek. Dat levert een prachtige compositie op die direct de gevoelige snaar doet trillen. Als de zangeres er na wat sessies bij haar dictiecoach klaar voor is, gaan we de geluidstudio in. Het resultaat is een hartverwarmend gezongen Nederlandstalig lied, met een Portugees accent als cadeauverpakking. Voor de locatie van de videoclip heb ik het balkon van een buitenhuis langs de Vecht in gedachten. De VPRO stelt een productiebudgetje beschikbaar waarmee o.a. de cameraman betaald kan worden - ikzelf mag het voor de eer doen. Joost van Herwijnen, die ik voor de klus uitnodig, laat weten dan ook geen honorarium te verlangen. Hij stelt voor in plaats daarvan een filmkraan te huren waarmee we langs de gevel omhoog kunnen bewegen. En, zegt hij, als we dan niet op video maar op kostbaar filmmateriaal draaien, maken we er echt iets moois van. En zo staat op een koude avond in december een gepassioneerde Maria de Fátima vanaf een balkon de  Zilvergrijze Zwaan uit te zwaaien. In de nacht van 1999 op 2000 gaat hij de lucht in. Voor het eerst bij de VPRO, later dat jaar nog diverse malen bij onder meer AT5. De reacties zijn unaniem zeer positief. Dit inspireert mij - met een compleet album in het achterhoofd - tot het schrijven van meer liedteksten voor deze zangeres. Daarmee stap ik naar enkele platenmaatschappijen, helaas zonder het gewenste resultaat. A&R (artist and repertoire) managers durven hun geld er niet op te zetten. Commercieel volstrekt niet interessant, krijg ik telkens te horen. Hun advies is tweeledig: zoek een Nederlandse zangeres bij de teksten, of laat ze naar het Portugees vertalen en door een Portugese zangeres uitvoeren. Beide opties zijn voor mij onbespreekbaar. Een droom aan diggelen. Waarmee weer eens pijnlijk duidelijk wordt dat ik niet in de wieg gelegd ben voor de commercie. Leer ik het dan nooit?

Zie: www.youtube.com/watch?v=3C_udtjJHjA

(c) Frans Lasès